
Leven en werk van Johan Herman Bavinck
Het werk van dr. Johan Herman Bavinck (1895-1964) blijft me boeien. Misschien omdat zijn werk nog altijd verrassend actueel is, maar ook vanwege zijn irenische schrijfstijl, rustig en essayistisch. Bavinck wist als weinig anderen woorden te geven aan de onrust van de moderne mens, aan de ontmoeting tussen evangelie en cultuur, en aan het diepe religieuze verlangen dat in ieder mens leeft. Op deze pagina laat ik iets zien van zijn leven en zijn werk. Bavinck heeft heel wat gepubliceerd. Zijn bekendste werk is Inleiding in de zendingswetenschappen (1954). Het is een standaardwerk dat een overzicht biedt van theorie, praktijk en geschiedenis van de christelijke zending. Maar dit boek heb ik (nog) niet gelezen. Mijn belangstelling gaat vooral uit naar zijn pastorale boeken die gaan over mensbeeld, overtuiging geloof strijd en hoop. Het zijn boeken die ik steeds weer pak en waaruit ik steeds weer fragmenten wil lezen.
Johan Herman Bavinck (1895-1964) was een Nederlandse theoloog en zendingsdenker die het christelijke geloof wist te verbinden met de vragen van andere culturen en religies. Als hoogleraar in de zendingswetenschap en jarenlang werkzaam in Nederlands-Indië, ontwikkelde hij een scherpe blik voor de manier waarop het evangelie mensen in verschillende contexten aanspreekt. In zijn werk staat steeds de ontmoeting centraal: tussen God en mens, maar ook tussen culturen onderling. Bavinck zocht naar woorden die recht doen aan de diepte van het geloof én aan de werkelijkheid van de ander. Tot op vandaag inspireert zijn denken ieder die zich bezighoudt met de plaats van het christelijk geloof in een veelkleurige wereld.
Wie de boeken van Herman Bavinck leest, ontdekt al een theoloog die niet alleen diep nadacht, maar ook wist te raken. Zijn boeken moet je langzaam tot je nemen, omdat achter de rustige woorden een grote rijkdom schuilgaat. Vanuit mijn eigen verzameling Bavinck boeken, die niet compleet is, geef ik een korte indruk van enkele werken van Bavinck die mij troffen.


De dingen zijn meer dan ze schijnen te zijn; er liggen diepere werkelijkheden achter het historisch gebeuren dan de mensen die erin betrokken zijn ook maar van verre kunnen vermoeden. Er staan machten achter de geschiedenis, die met die geschiedenis hun eigen bedoelingen hebben, zonder dat de mensen die die geschiedenis maken beseffen waar het om gaat. Dit is een citaat uit het eerste hoofdstuk, dat tegelijk het hele kader van dit boek aangeeft. Typische Bavinck zinnen zoals: Niet is wat het schijnt en alles wordt wat het is nemen je mee in dit aangrijpende boek van Bavinck over de Openbaring van Johannes.
Alleen de titel al: En voort wentelen de eeuwen. Die titel heeft iets vermoeiends: eeuwen die zich maar blijven opvolgen en voortwentelen zonder einde. Maar de titel heeft ook iets hoopvols — en dat is ook wat dit boek is: een boek vol hoop en troost voor de aangevochten en vervolgde kerk. Over die kerk gaat het eigenlijk meteen al in het eerste hoofdstuk. Daarmee wijkt Bavinck af van veel gangbare verklaringen van het Bijbelboek Openbaring. Hij begint niet bij hoofdstuk 1, waarin Johannes de openbaring ontvangt, maar zet in bij hoofdstuk 12. Daardoor is dit boek geen schematisch eindtijdboek. Bavinck noemt het zelf bescheiden Gedachten over het boek der Openbaring van Johannes. De vrouw, het Kind en de draak. Daar draait het uiteindelijk om. De draak probeert de vrouw en haar kind te vermorzelen. Het is de concrete strijd tussen Christus en de machten van het kwaad. Maar juist hier wordt ook zichtbaar dat Christus reeds overwonnen heeft, terwijl de strijd op aarde nog doorgaat. Dat zijn de twee tonelen, de twee parallelle lijnen die steeds weer in het boek terugkomen: de strijd die zich afspeelt in de hemelse gewesten en de strijd hier op aarde. In de hemel klinkt al het overwinningslied, terwijl de kerk op aarde nog midden in de strijd staat. Wereldpolitiek, oorlogen en maatschappelijke ontwikkelingen zijn daarmee uitingen van wat er achter de zichtbare geschiedenis gebeurt: een diepere geestelijke strijd.
In de hoofdstukken daarna werkt Bavinck dit verder uit. Niet vers voor vers, maar door grote lijnen te trekken, waardoor de inhoud van het boek ook vandaag nog spreekt. Een van de opvallendste gedachten van Bavinck is dat de wereldgeschiedenis in wezen al beslist is door Christus’ hemelvaart. Wat daarna komt, noemt hij een „naspel”. Daarom leeft de kerk niet in onzekerheid over de afloop van de geschiedenis, maar in verwachting van een overwinning die principieel al vastligt. Ondertussen dendert de geschiedenis voort. Dat is de beeldende taal waardoor Bavinck zo aanspreekt: het gedreun van het moderne leven, de stikdonkere vallei van een bezeten wereld en een kerk die wandelt op de rand van de triomf. Mooi taalgebruik. In Openbaring gaat het ook over technische vooruitgang, die zorgt voor versnelling van de geschiedenis, maar tegelijk ook voor geestelijke vervreemding. De tijdgebondenheid van het boek zie je bijvoorbeeld terug in het gedeelte over de twee getuigen. Daarin legt Bavinck een verbinding met de radio en dat is wel eigenaardig.
Bavinck legt grote nadruk op wat hij noemt het vraagstuk van de grote vertraging. Christus heeft alle macht en de macht van de duisternis overwonnen. Het einde is nabij; we staan voor de laatste dingen. En toch blijkt uit Openbaring dat de kerk zuchtend voort moet gaan, wadend door moeite en modder. De zegels worden gebroken en er breken benauwde tijden aan. Het is het nog niet: de vertraging die besloten ligt in de voortgang van de geschiedenis. Alle dingen moeten eerst tot een zekere rijpheid, tot voleinding komen, voordat datgene kan komen waarop de gelovigen van alle eeuwen zo vurig gehoopt hebben. En dan een citaat van de laatste pagina van dit magistrale boek.
Maar het slotaccoord, dat Johannes aanslaat in zijn boek, is toch nog anders dan een woord van bemoediging en vermaan. Het is een woord van onpeilbaar diep heimwee, heimwee naar God. „En de Geest en de bruid zeggen: kom!” De Kerk kan soms zó ingeburgerd geraken in deze fantastische wereld, dat ze zich niet meer herinnert waarvoor ze bestemd is. Ze kan soms zó geboeid worden door al de taferelen van de dagelijkse dingen, dat ze vergeet waar ze heengaat. Dan is het wel eens nodig dat in het oorverdovend lawaai van de over elkander heentuimelende rampen en in het wegglijden van alle zekerheden wij allen weer herinnerd worden aan de vergankelijkheid en de bouwvalligheid van deze schijnbaar zo solide wereldorde. Want de gedaante van deze wereld is reeds bezig voorbij te gaan (1 Cor. 7:31).
En voort wentelen de eeuwen verscheen voor het eerst in 1952 en beleefde daarna ten minste negen herdrukken. In 2026 is een eigentijdse herdruk uitgebracht, waarmee het boek nieuwe aandacht heeft gekregen.

Dit boek is een verzamelbundel met vijf bijdragen: De onbekende God, Gebedsmoeilijkheden, Het raadsel: Mensch, Vraagen aangaande het Godsbestuur en De roep naar bevrijding. De eerste en laatste bijdrage zijn van Bavinck, de tweede van M.J.A. de Vrijer en de vierde van Joh. de Groot. In deze bespreking beperk ik mij tot de artikelen van Bavinck. Ik heb niet kunnen achterhalen wanneer Bavinck dit boek heeft geschreven. In mijn uitgave met een linnen omslag staat voorin met potlood augustus 1940. Het zal wel de datum van aanschaf zijn geweest. Mogelijk verscheen dit boek aan het einde van de jaren dertig. Dat vermoeden wordt versterkt door de oude schrijfwijze die nog geregeld wordt gebruikt en omdat Bavinck in het laatste hoofdstuk een enkele keer morele herbewapening noemt. Een beweging die rond 1939 is ontstaan.
Elk mens krijgt met God van doen, maar deze God is tegelijk een onbekende. Wij kunnen Hem niet doorgronden, Zijn gedachten niet peilen en telkens wanneer wij iets over Hem zeggen, schieten wij tekort tegenover Zijn grootheid. In die zin blijft God voor ons de Onbekende. Toch kunnen wij Hem ontmoeten: in de natuur, in de leiding van ons leven en in de openbaring van Jezus Christus. Volgens Bavinck behoren deze drie niet los van elkaar te worden gezien; zij vormen één geheel en in ons leven moeten deze samenvallen.
De Onbekende God
De tragiek van het menselijk bestaan is dat wij niets weten van Gods plannen met deze verwrongen en stukgeslagen wereld. Het valt ons moeilijk te begrijpen dat de onbekende God dezelfde is als de God die in Jezus Christus tot ons wil spreken. Toch is juist dat de kern van het christelijk geloof. Bavinck schrijft:
Wanneer wij nu over den Onbekenden God spreken, zullen wij de twee wegen van natuur en levensleiding niet steeds scherp kunnen scheiden. Ze komen op vele punten samen en in beide staat de mensch voor den Onbekende. Dat raadsel van Hem knaagt thans aan veler levensgeluk en er is niet één van ons die zich aan de beklemming ervan onttrekken kan.
Vanuit deze gedachte komt Bavinck tot een treffend beeld: het leven als een voortdurend tweegesprek tussen God en mens. De mens handelt, spreekt, verlangt en wordt voortgedreven door een eindeloze stroom van gedachten en begeerten. Maar achter dat alles staat de Ander, die het mensenleven in Zijn handen houdt, leidt en regeert. Of wij ons daarvan bewust zijn of niet, ons bestaan speelt zich af in relatie tot Hem. God komt ons tegen op de weg van ons leven. Hij houdt zich met ons bezig en laat ons niet met rust. Dat gesprek verloopt bij iedereen anders. De vormen verschillen, maar niemand kan zich er geheel aan onttrekken. Wij hebben allen te maken met deze Onbekende. Wij kunnen Hem ontkennen, maar nooit volledig uit onze gedachten bannen. Volgens Bavinck is de ontkenning van God uiteindelijk een vlucht. Er zijn allerlei manieren om aan het tweegesprek te ontkomen. Men kan anders naar de wereld leren kijken en anders naar zichzelf. God wordt dan het Al, de natuur een blinde natuurkracht en alles wat gebeurt wordt verklaard als noodlot. Maar achter zulke constructies gaat volgens hem een poging schuil om los te komen van de gebondenheid aan God.
Temidden van alle vragen blijft echter het tweegesprek bestaan. De onbekende God komt de mens tegemoet in de Schrift. In Jezus Christus heeft God Zich bekendgemaakt. Hij is de zichtbaar geworden God. Niet voor niets zegt Jezus dat Hij en de Vader één zijn. Opvallend is ook wat Bavinck schrijft over de natuur. Het conflict tussen God en mens speelt zich af tegen een achtergrond die ogenschijnlijk neutraal is. De natuur kiest geen partij. Zij schaart zich niet aan deze of gene zijde, maar lijkt slechts zwijgend toe te kijken. Juist die neutraliteit is volgens hem noodzakelijk. Wanneer de natuur voortdurend ondubbelzinnig Gods kant zou kiezen, dan zou geloof geen geloof meer zijn. Dan zou het niet langer de „vaste grond der dingen die men niet ziet” zijn.
Toch krijgt de natuur in het licht van Christus een nieuwe betekenis. De bloemen op het veld spreken van Gods zorg. Het mosterdzaadje draagt een geheim in zich: het geheim van het kleine dat groot wordt. De zichtbare werkelijkheid blijkt vol verwijzingen naar een diepere werkelijkheid. Aan het slot van zijn artikel probeert Bavinck te verwoorden hoe de onbekende God gaandeweg herkenbare trekken krijgt voor wie Hem leert kennen:
Er loopen lijnen door, er zijn onzichtbare achtergronden. En als ik mijn God beter heb leeren kennen, en aan Zijn Aangezicht gewend geraakt ben, dan ga ik eindelijk ook bemerken dat die groote Onbekende, die Levens-Regent, als ik Hem héél sterk aanzie, toch wel dezelfde trekken heeft als die Vader, die mij in Christus ontvangen heeft. De God die hongersnood en eenzaamheid, honger en armoede zond in het vreemde land, leek wel een heel andere God dan die Vader die wachtte, maar in diepste wezen is het toch één en dezelfde. Heel flauw en heel vaag zie ik wel, dat er een plan in al die dingen zit, dat op het innigst verweven is met den heiligen verlossingswil van God, die zich in Christus aan mij getoond heeft. En wat boven dat alles uitgaat, Jezus toont ons, dat dat onbekende niet altijd blijven zal. Dat het mysterie, dat ons nu nog omringt, zoolang we zien door een spiegel als in raadselen, zal worden opgelost, dat het oogenblik zal komen dat het gordijn zal wegvallen, en dan zullen wij zien van aangezicht tot aangezicht.
Daarmee eindigt Bavinck niet in onzekerheid, maar in verwachting. Het raadsel blijft bestaan, maar het zal niet altijd een raadsel blijven. Het christelijk geloof leeft van de hoop dat eens het gordijn zal wegvallen en dat wat nu verborgen is, van aangezicht tot aangezicht zal worden gezien. Dan zal blijken dat de onbekende God, die ons leven vaak zo raadselachtig leidde, dezelfde Vader is die Zich in Christus heeft geopenbaard.
De roep naar bevrijding
De mens leeft te midden van ongetemde monsters: geldzucht, egoïsme en begeerten. Bavinck noemt dit de zondekrachten die het levensgeluk verstikken. De noodzaak van bevrijding wordt overal gevoeld. Hij spreekt in dit verband over een morele herbewapening en verwijst daarmee naar de in 1938 opgerichte internationale beweging die persoonlijke en maatschappelijke vernieuwing nastreefde. Het verlangen naar bevrijding kan echter ook leiden tot een schijnbevrijding. Daarom wijst Bavinck naar het evangelie. Opmerkelijk genoeg merkt hij op dat de evangeliën betrekkelijk weinig voorbeelden geven van ‘veranderde’ mensen. Dat komt omdat niet de mens, maar Christus zelf het uitgangspunt vormt. Het gaat uiteindelijk om Hem alleen.
Over mensen die door de ontmoeting met Christus veranderen, lezen we wel, maar meestal vernemen we weinig over hun verdere levensweg. Hoe zou het Mattheüs, de tollenaar, zijn vergaan als volgeling van Christus? En Maria, die met haar zalving van de Meester iets doet dat wereldwijde betekenis krijgt? En dan de discipelen. Zij volgen hun Meester, maar wanneer het erop aankomt, laten zij Hem in de steek. Ook Paulus spreekt over de bevrijding die in zijn leven gekomen is, maar tegelijk schrijft hij over de tweespalt die in hem gebleven is. In Romeinen 7 klinkt zijn hartverscheurende uitroep: „Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?” De christen blijft een uit elkaar getrokken mens, vol innerlijke tegenstrijdigheden. Bavinck komt dan ook tot de sombere conclusie dat deze spanning, vanuit de praktijk van het leven bezien, niet volledig oplosbaar is.
Wij, Christenen van dezen tijd, wij zijn vastgeloopen. We weten niet goed meer wat we in deze wereld zeggen moeten. De menschen vragen ons: is er een weg om volkomen bevrijd te worden, om los te worden van die chaotische krachten die ons met den ondergang bedreigen? Op die vraag kunnen wij het verlossend antwoord niet meer spellen. We kunnen wel theorieën opstellen, maar we zijn er ons diep in ons binnenste van bewust, dat we zelf in een impasse geraakt zijn. We hebben mooie preeken gehoord en wij hebben ze bewonderd, wij zijn naar huis gegaan en zijn net zulke groote egoïsten gebleven als wij waren. Er kwam geen wrikken meer in het logge materiaal van ons dagelijksch leven, we zagen geen verandering meer. We ontdekten dat we ten eenen male verblind geworden waren, dat we haatten zooals anderen haten, dat we oneerlijk waren zooals anderen het zijn, we zagen de hand van Christus niet meer. Nu de wereld rondom ons in een wervelstorm van verwoesting geraakt is, nu zijn we wakker geworden. En nu schrijnt in ons de vraag: is er werkelijk Christelijk leven mogelijk, Christelijk leven in een andere vorm, in hoogere intensiteit dan wij tot nu toe kenden? Kan Jezus Christus, die aan het kruis onze schuld gedragen heeft en ons met God heeft verzoend, kan Hij mij ook verlossen van dien boozen daemon van mijn dagelijksche zonden? Op die vragen geeft Jezus antwoord. Ja, zegt Hij, mits ge staat in de waarheid, mits ge de waarheid van uzelf en van Gods liefde scherp onder oogen ziet, en daar ook in blijft.
Hier raakt Bavinck een gevoelige snaar. Het christelijk geloof dreigt gemakkelijk te blijven steken in theorie, in mooie woorden en verheven idealen. Maar de vraag die werkelijk telt, is of Christus ook vandaag de macht heeft om mensen te veranderen. Niet alleen om schuld te vergeven, maar ook om te bevrijden van de macht van de zonde. Bavinck wijst op Christus. Dat kan ook niet anders. Alle menselijke pogingen tot zelfverbetering lopen vroeg of laat vast. Alleen Christus kan de mens werkelijk bevrijden uit de slavernij van de zonde. In Hem ligt niet alleen vergeving, maar ook vernieuwing. Daarom eindigt de roep om bevrijding niet in wanhoop, maar in de verwachting dat Hij doet wat geen mens uit eigen kracht vermag.

Bavinck was in staat om een alledaags woord als het ware open te breken en de rijkdom ervan te laten zien. Vanuit zo’n woord ontwikkelt hij vervolgens een geestelijke gedachte, vaak met een pastorale toepassing. Dat doet hij volop in het boekje Flitsen en fragmenten, bijvoorbeeld met woorden als ‘eigenlijk’ en ‘wandelen’. De reflectieve hoofdstukken brengen je vanuit het gewone leven, met zijn dagelijkse ervaringen en situaties, telkens weer terug naar de Bijbel en omgekeerd. Daarmee vormt dit een bundeltje waardevolle overdenkingen.


Een merkwaardig, boeiend en zeer leerzaam boek – zo schreef de Westlandse Kerkbode in 1960 over Mensen rondom Jezus. In dit boekje passeren verschillende Bijbelse figuren de revue: Zacheüs, de Samaritaanse vrouw, Martha en de blinde man bij het badwater van Siloam. Allemaal mensen die met Jezus in aanraking kwamen. Ook van dit werk zijn meerdere drukken verschenen; mijn exemplaar betreft de vijfde druk.Bavinck beschrijft deze mensen rondom Jezus alsof zij naast je staan: herkenbare personen met hun eigenaardigheden en karakters. In vijftien meditatieve schetsen worden zij psychologisch getekend, in een kenmerkende stijl die de lezer uitnodigt tot reflectie, alsof de gebeurtenissen zich in het heden afspelen. Daarbij legt Bavinck de nadruk op de interacties en gesprekken van Jezus. Het biedt inspirerende inzichten in de psychologische diepte van de Bijbelse figuren en in het pastorale optreden van Jezus.

Levensvragen
Een boekje voor denkende mensen — zo werd dit werkje in 1933 genoemd in een kerkblad. Mijn uitgave, verschenen bij Kok te Kampen, dateert uit 1930. Het boekje bevat zestien overdenkingen over de grote vragen van het leven. Het begint met wat Bavinck het grote ontwaken noemt: de mens die zich afvraagt waar hij vandaan komt en wat de oorsprong is van alle dingen.
Andere hoofdstukken behandelen thema’s als de wereldorde en onze afgoden, zoals geld, eer en genot. De laatste overdenkingen richten de aandacht op Jezus als Verlosser. Het slothoofdstuk gaat over de voleinding. Juist daarop kwam enige kritiek. Een recensent meende dat er op grond van de Bijbel meer te zeggen viel over het einde der dingen. Bavinck schrijft echter subtiel en terughoudend over het sterven van de gelovige:
Omgekeerd is het ook mogelijk, dat de ziel in dit leven met een innig heimwee altijd naar God verlangd heeft. Dat zij gedorst heeft naar zijn gemeenschap, naar zijn liefde als naar het hoogste goed. Dat zij in Christus gegrepen heeft naar de kennis, gerechtigheid en heiligheid, als naar de edelste van alle schatten. Dat verborgen, diep in haar leven gelegen heeft, het hunkeren naar God. In dat geval zal de dood wezen een ontzaglijke openbaring. Misschien zal de ziel zich het eerste moment nog verlegen, nog aarzelend gevoelen. Maar zoodra zij het lichten begint te proeven, zoodra ze in de verte den weerschijn van Gods tegenwoordigheid gaat bemerken, wordt er in haar geboren een oneindig juichen. Zijt Gij dat, o eeuwige schoonheid, die ik altijd heb gezocht? Zij zal met een onbegrijpelijke verrukking op Hem toesnellen, ze zal Hem aangrijpen als haar alles, als haar zaligheid zelve. En ze zal in de schouwing, in het zien van zijn heerlijkheid voortgaan van blijdschap tot blijdschap, van licht tot licht. En in de vreugde, die zij dan gevoelen zal, ligt de eeuwigheid besloten, want God is eeuwig. Op dat zelfde oogenblik wordt zij in de wondere kracht van den Geest Gods geheiligd, zóó dat alle smetten der zonde van haar wegvallen. Zoo ongeveer mogen wij ons denken den ingang in de hemelsche gebieden. Het is niet betamelijk daarover veel te denken of te spreken.
De tweede druk van dit boekje verscheen onder een nieuwe titel: Het raadsel van ons leven. Daarbij werd de inhoud geheel bijgewerkt en werden enkele nieuwe onderwerpen toegevoegd.



De Kerk zwoegt en worstelt zich door de tijd. En tegelijk heeft de Kerk een dure roeping, die zij maar al te vaak laat liggen. Hierover gaat het in dit boekje, waarin Bavinck de apostel Paulus volgt op zijn reizen, met als doel het geheim te leren kennen waarmee het Woord opnieuw uitgedragen kan worden. De laatste hoofdstukken van dit boekje spreken mij het meest aan. De jonge kerk in een heidense wereld — dezelfde vragen, hetzelfde heidendom. Het grote punt van Bavinck is dat de Kerk niet langer in de verdediging moet zijn, maar in de aanval moet gaan. Al lezende kom je dan prachtige zinnen tegen.
In een zoekende en tastende wereld, die al zoveel over goddelijke dingen gedacht en gesproken heeft, staan wij met de boodschap van Christus. Wij mogen de kloof, die het heidense denken van Gods spreken scheidt, niet verstoppen, wij mogen de tegenstellingen niet verbloemen, wij moeten de lijnen scherp en zuiver trekken, maar wij moeten het voorzichtig doen, wij moeten het met liefde doen. Afstoten is gemakkelijk, strelen is ook gemakkelijk, maar begrijpende bestrijden, overtuigende getuigen, dat is moeilijk. Dat kan de gezant van Christus alleen, wanneer in hem diezelfde Geest werkt, die ‘de wereld overtuigt van zonde, van gerechtigheid en van oordeel.’
De Kerk moet zich, als zij achteromziet, diep schamen, maar in het laatste hoofdstuk klinkt de oproep om in de aanval te gaan.
Maar datzelfde Woord, dat zulke troostvolle visioenen bevat, dat met zachte, tere stem kan spreken van die stad, die het licht der zon niet meer van node zal hebben, omdat God zelf haar licht zal wezen, datzelfde Woord is ook een zweepslag voor alle ontmoedigden en bekommerden. Het neemt ons mee op een berg en laat ons de wereld zien, de wereld met al wat in haar bruist en kookt, en dan spoort het ons aan tot de aanval, de aanval uit liefde, uit heilig verlangen om te redden wat ten dode gegrepen wordt. De Kerk, die met dat Woord omgaat, kan niet rustig bij de pakken neerzitten, kan niet afwachten totdat het onweer zal losbarsten; zij gevoelt zich als met ijzeren handen voortgestuwd tot het offensief. Zij moet aanvallen, wil zij niet te gronde gaan. Aanvallen, in die zin dat zij hen, die in donkerheid en doodsschaduw wonen, wijst op het Licht, dat zij de dolende schapen, die geen herder hebben, wijst op de Opperste Herder en Behouder, onze Here Jezus Christus.



