
Verwondering over een oude aarde
Ooit lag er, tussen de kusten van Engeland en het Europese vasteland, een uitgestrekt land vol weidse grasvlaktes, kronkelende rivieren en dichte bossen. Doggerland, zoals wij het nu noemen, was een paradijs voor jagers en verzamelaars, die hier rendieren, oerossen en reusachtige elanden achtervolgden. Wolharige mammoeten trokken door de mistige moerassen, terwijl sabeltandtijgers en holenberen in de schaduw loerden. Dit vruchtbare land, ooit de brug tussen twee continenten, verdween langzaam onder de oprukkende Noordzee. Wat rest zijn sporen: vuurstenen werktuigen, botten van oeroude dieren en fossielen die nog steeds opduiken in vissersnetten of aanspoelen op stranden. Van een Noordzeevisser kreeg ik een aantal botten van dieren die ooit in Doggerland rondzwierven, zoals de wolharige mammoet en de wolharige neushoorn. Deze en andere fossielen, schelpen en stenen tref je hier aan. Wie zoiets vindt, vindt een verhaal. Bij verschillende stukken is een beschrijving toegevoegd—geen wetenschappelijke analyse, maar een verhaal waarin ik iets heb verwerkt van de herkomst. Ik ben geen bioloog en ken de scheikundige samenstelling van stenen en mineralen niet. Maar ik geloof in een oertijd die haar oorsprong vindt in schepping. Wanneer je een fossiel of steen in je hand houdt, brengt het je even terug naar die oertijd—misschien zelfs naar het moment waarop de aarde werd gevormd.
Wie een fossiel oppakt, houdt meer vast dan een steen of een schelp. Het is een aanraking met tijd. Fossielen brengen je even terug naar oude tijden, naar een aarde die anders was en misschien wel dichter bij haar oorsprong. Fossielen verwonderen, ze dragen een verleden met zich mee die zich niet laat haasten en haar geschiedenis laag voor laag bewaart. Elk stuk vertelt iets over leven dat ooit bloeide, groeide, verdween en toch een spoor naliet. Fossiele schelpen, botfragmenten en stenen maakten ooit deel uit van levende ecosystemen, bevolkt door dieren als de wolharige mammoet, het reuzenhert, bevers en beren. Door deze fossielen te verzamelen, te bekijken en te bewaren, ontstaat telkens opnieuw een kleine ontmoeting met wat verdwenen is. De vragen die het oproept zijn fascinerend. Het oudste fossiel uit mijn collectie zijn enkele fossiele plantenresten uit het Carboon. Ongeveer driehonderd miljoen jaar. Eén tijdspanne die we ons niet kunnen voorstellen. Wie zich bezighoudt met fossielen, ontkomt niet aan de vraag wat zulke getallen eigenlijk betekenen. Die betekenis is sterk afhankelijk van de bril die je opzet. De wetenschappelijke tijdrekening berust op een stelsel van vooronderstellingen in interpretatie van aardlagen en gidsfossielen. Het een interpretatiekader dat nauw verweven is met de evolutietheorie. Vanuit die benadering zijn zeer lange perioden nodig om het ontstaan van het leven te verklaren.
Je kunt er ook anders naar kijken vanuit het geloof dat de aarde door God is geschapen. Het Bijbelboek Genesis vertelt hierover. De wetenschappelijk tijdrekening kan ik niet in overeenstemming krijgen met de Bijbelse gegevens dat God hemel en aarde in zes dagen geschapen heeft. Een theorie van een veel jongere aarde dan de wetenschappelijke tijdrekening spreekt mij aan omdat de wereldwijde zondvloed van grote betekenis is geweest voor de aardlagen en de fossielen. Maar ook dan blijven veel vragen over.
Diep in de oertijd, waarschijnlijk de tijd waarin de dinosaurus nog leefde, was er een man met de naam Job. Hij zat vol met vragen naar God. Maar in plaats van een antwoord op zijn levensvragen, kreeg hij van God vragen terug waarin verwondering en de ondoorgrondelijkheid van de schepping doorklinkt: Waar was u toen Ik de aarde grondvestte? Maak het bekend, als u werkelijk inzicht hebt. Wie heeft haar afmetingen bepaald? U weet het immers wel. Of wie heeft het meetlint over haar uitgespannen? God roept Job op tot bescheidenheid. De fossielen herinneren mij eraan dat de wereld groter is dan het heden, ouder dan ons geheugen, en rijker dan wij kunnen overzien.