Wandelen

Wandelen

Wandelen we wel voldoende? Ik doe het in ieder geval te weinig; te vaak pak ik de auto of de fiets. En ik gun mezelf te weinig tijd om zomaar te wandelen, zonder doel en zonder bestemming. We zijn gejaagde mensen, en ik ben er daar één van en daarmee doe ik mezelf tekort.

Er zit in wandelen namelijk iets wat andere bezigheden niet — of in ieder geval niet in dezelfde mate — kunnen bieden. Tijdens het wandelen lijkt het alsof de wereld zich op een andere manier aan je toont. Als je in de natuur loopt, trekken mooi gevormde bomen je aandacht. Je komt vogels, hazen en misschien zelfs een ree tegen. Wandel je in de stad, dan zie je weer heel andere dingen: de verkeersdrukte, mensen die zich voortbewegen, werken, en de activiteiten van winkeliers. Als je wandelt, zie je echt iets.

In verschillende talen wordt het begrip ‘wandelen’ op uiteenlopende manieren benaderd. In het Grieks en Latijn hangt wandelen samen met ‘rondgaan’ of ‘omgaan’. Wandelen wordt daar dus gezien als bewegen zonder een vast doel. In andere talen, zoals het Frans en het Hebreeuws, ligt de nadruk meer op je laten leiden — je overgeven aan de beweging. Dat is interessant, want al die talen proberen te verwoorden wat wandelen in wezen is. Ze begrijpen allemaal dat wandelen iets anders is dan gewoon lopen. Lopen heeft meestal een doel: je gaat ergens naartoe. Wandelen daarentegen heeft zijn waarde in zichzelf. Het hoeft nergens heen te gaan. Je keert vaak gewoon terug naar de plek waar je begon. Je bent nergens geweest — en dat was ook precies de bedoeling. Je hebt gewandeld.

Opvallend is dat de Bijbel juist dit woord, ‘wandelen’, vaak gebruikt om het leven van de mens te beschrijven. Natuurlijk wordt het leven ook gezien als een reis, een pelgrimstocht naar iets beters. Maar net zo vaak spreekt de Bijbel over het leven als een wandeling. Daarmee lijkt bedoeld te worden dat het leven ook waarde heeft in zichzelf. Het is er niet alleen om ergens te komen, maar mag ook op zichzelf betekenisvol zijn. Er zit iets lichts, iets speels in. Het leven hoeft geen voortdurende, jachtige zoektocht naar de toekomst te zijn — het mag ook bestaan uit het ontvangen en genieten van elke dag.

Maar er is meer. De Bijbel gebruikt het woord ‘wandelen’ vaak in combinatie met een richting of relatie. Henoch wandelde met God. Abraham moest wandelen voor Gods aangezicht. En in het Nieuwe Testament schrijft Paulus dat je kunt wandelen in het vlees, in de zonde, maar ook in nieuw leven, in geloof en door de Geest. Er zijn in de Bijbel talloze teksten waarin het woord ‘wandelen’ voorafgegaan wordt door een voorzetsel. Mooi is dat. Het is net alsof God vlak voor je komt te staan en tegen je zegt: geniet van de wandeling, maar vergeet niet dat wandelen altijd een betrekking insluit. Je wandelt zomaar ergens naartoe, maar je doet het altijd in iets. Je leven is inderdaad een wandeling — het mag licht en vrij zijn, en je mag ervan genieten. Maar het is nooit zomaar doelloos. Wandelen betekent altijd in relatie staan tot iets of Iemand. Het is niet slechts jezelf laten gaan; het heeft richting en verbondenheid. Daarom is het leven twee dingen tegelijk: een wandeling en een pelgrimstocht. We zijn ergens naar op weg. Het leven heeft een eindbestemming, en daarmee heeft de wandeling waarde in zichzelf, maar wijst zij ook verder dan zichzelf. Paulus verwoordt dat treffend: “Wij wandelen in geloof, niet in aanschouwen.”