19 september 2021

Trots staan de eilandbewoners van Texel te kijken hoe de zwaar gewapende vloot op het punt staat te vertrekken. Het is december 1624 en eindelijk vertrekt – na lange voorbereidingen en politieke discussie – de armada naar de Afrikaanse Westkust. De vloot, onder leiding van admiraal Jan Dirksz Lam, bestaat uit enkele zwaar bewapende fregatten en vrachtschepen. Lam heeft de leiding over de tien schepen, maar zou pas later zijn echte opdracht krijgen: het ver-overen van fort Elmina aan de Baai van Benin, het huidige Ghana. De vele toeschouwers zijn onder de indruk van de geweldige vloot die met geheven zeilen langzaam vertrekt vanaf de Rede. Het fregatschip Wapen van Haerlem met aan boord vice admiraal Jan Gerritsz van Dijk voorop, daarachter De Hollandsche Tuijn met admiraal Lam en de andere acht schepen. Tussen de eilandbewoners staan leden van de Staten Generaal en investeerders verbonden aan de machtige West Indische Compagnie, die enkele jaren daarvoor was opgericht. Statig verlaat de oorlogsvloot De Rede en zet koers door het Marsdiep naar de Noordzee. Dan voltrekt zich een klein fiasco. Lam scheef later in zijn reisverslag: de vice admirael die voor ons was geraecte de aende grondt. Doch onze lootsman meende van wij geen noot van de droochte hadden, maer vondt hem ende wij hem corts daer naer bedroghen. Ondanks de blijkbare aanwezigheid van een loodsman kwam Het Wapen van Haerlem vast zitten op Slenck of ook wel Ebbegat. Pas nadat hoog water het schip had losgemaakt, kon de armada verder reizen. Het was een slecht begin van een reis die overigens later een dramatische afloop zou hebben.