26 januari 2021
  • 09:18 HMS Apollo gevonden

Ze zijn gekarakteriseerd als het midden tussen een visserman en een marineman, maar deze vergelijking dekt niet de hele lading. Sommigen waren ook havenarbeider en midden op zee toonden ze zich ook handelaren. De vletterlieden van het Marsdiep zijn moeilijk in een vakje te plaatsen, maar een eigenaardig volkje was het zeker. Vanaf de twintiger jaren in de 19e eeuw zijn de vletterlieden op het Marsdiep en het omliggende zeegebied te vinden profiterend van de werkgelegenheid die Het Noord-Hollands kanaal vanaf 1824 brengt. Het kanaal voorziet in een rechtstreekse verbinding tussen Nieuwdiep en Amsterdam, met als gevolg een toename van werk. Binnenkomende schepen werden door vletterlieden de haven in geholpen en de vletters hielpen met het lossen van de lading. Er ontstond een nieuw soort bedrijvigheid, die in een versnelling kwam met de komst van stoomgedreven schepen die de Haaksgronden en het Marsdiep passeerden. Het werk van de vletterman bestond uit het binnenbrengen van de schepen. Het waren veelal Engelsen, Fransen, Duitsers, Italianen, Spanjaarden en Oosterijkers. Al dit scheepvaartverkeer kwam via de zeegaten het Schulpengat of het Molengat het Marsdiep binnen langs de Haaksgronden, de banken van de Laan, en Helsdeur. Dit zeegebied was het domein van de vletterlieden. Het was hun werkterrein, op zoek naar schepen die ze konden helpen met het binnenloodsen, het los-sen van vis in de haven of eenvoudigweg het overbrengen van boodschappen. In hun kleine snelle vletten zeilden ze snel over het zeegebied en wisten ze het scheepvaartverkeer te bereiken en te ondersteunen. De kleine vletten of het bootje van vijftien planken, zoals werd gezegd, hadden geen last van de ondiepten. Ze zeilden gemakkelijk langs de Haaksgronden en daarmee waren de vletterlieden als geen ander thuis in het zeegebied. De meeste vletterlieden kwamen uit Nieuwediep. Het arme volk woonde veelal in Oud Den Helder of de Visbuurt, maar ook in Huisduinen en Texel. Vooral na het gereedkomen van het Noordzeekanaal in 1876, waarbij de handel instortte werd de concurrentie tussen de vletters groter met als gevolg dat er grotere risico’s werden genomen. Hoe eerder een schip gepraaid kon worden hoe beter. En daarvoor is het zaak om ze zo vroeg mogelijk op zee tegemoet te komen. Als de ene vlet een halve dag gaans de schepen tegemoet ging, deed een volgende daar een schepje bovenop met als gevolg dat de vletterlieden steeds verder in open zee kwamen. In oktober 1871 gingen vier vletterlieden erop uit. Ze zeilden de haven van Nieuwediep uit en voerden met hun ranke schuitje langs Huisduinen over het Schulpegat. Ze gingen verder dan gebruikelijk. De krant schreef dat ze zelfs ongelofelijk ver gingen voor vletters. Ze passeerden de Zuiderhaaks en gingen nog verder zuidelijk om ter hoogte van Petten te wachten op binnenkomende schepen. Daar gebeurde het. Een ‘valsche’ wind kwam over de duinen van Petten en sloeg in het zeil. De vlet met de vier mannen kantelde. Met de verdrinkingsdood voor ogen probeerden de mannen het zeilwerk en de mast van de vlet los te maken. Maar het was zwaar, één van de mannen raakte al snel uitgeput en zonk weg in het water. De drie overgebleven man-nen slaagden erin om de vlet te keren. Volkomen uitgeput klommen ze vanuit zee in de vlet. Het vroeg een krachtsinspanning die nog nauwelijks op te brengen was. Twee mannen kregen het voor elkaar om zich in de vlet te hijsen, die nauwelijks drijvend nog vol water was. De derde man had zichzelf op de rand van de vlet gehesen, maar kon het laatste stukje niet meer opbrengen. Hij viel achterover en verdronk. De twee overgebleven mannen dreven nog vier uur rond in een stikdonkere nacht totdat zij in de ochtend door een loodskotter werden gezien en geholpen.

De stranding of schipbreuk van een schip was voor de vletterlieden een buitenkansje, want een gestrand schip bracht geld op. Het afbrengen van de equipage, het lossen van de lading en het jutten van ronddrijvende spullen gaf de mo-gelijkheid voor een ‘sjouw’ of een ‘sjouwtje’ en dat was naast de normale inkomsten vaak een meevaller. Een voorwaarde is dan wel dat je er snel bij bent. Toen in 1901 het gerucht ging dat bij De Cocksdorp aan de noordkant van Texel een Noors stoomschip was gestrand wisten de vletters van Nieuwdiep niet hoe snel ze erheen moesten. Met 60 vletten tegelijk werd erheen geroeid, maar ze waren te laat. Er viel niets meer te halen. Bij de stranding van twee stoomschepen in 1908 bleef er wel wat over. Er werd f 13.000 uitgekeerd aan de vletters en voor de stranding van de Perseveranze werd op hetzelfde moment f 12.000 uitgekeerd aan de gezamenlijke vletters. Het begin van de 20e eeuw was voor bergers en vletterlieden een goede periode vanwege de vele strandingen en schipbreuken die op de Haaksgronden plaatsvonden. De vletterlieden waren het volk van de onaanzienlijken, het waren de armen van Nieuwediep. Maar de vletters waren ook mensenredders. Tijdens hun werk hebben ze honderden schipbreukelingen gered van de Haaksgronden en de andere plaatsen in het zeegebied rondom het Marsdiep. Het redden ging vaak met gevaar voor eigen leven. Niet altijd bracht een reddingactie wat op. Soms kon er aan de goederen nog wat verdiend worden, als deze al-thans de vletterman toeviel. In veel geschiedenissen van scheepsongelukken zien we dat de verzekering of de reder een beloning geeft aan de redders. En soms, maar dat is wat minder bescheiden, moet de redder er zelfs om vragen. Zoals Klaas Gomes op Texel. Nu was Klaas die bekend stond als een verhalenverteller wel een apart geval. Op 21 oktober 1820 strandde het Amerikaanse schip Columbus komend van Batavia geladen met koffie suiker op de Zuiderhaaks. Volgens de kranten uit die tijd is de dertien koppige bemanning gered vanuit schuiten die vertrokken zijn vanaf het strand van Huisduinen. De lezing van de Texelse loodschipper Klaas Gomes is anders. Hij heeft met enkele mannen ervoor gezorgd dat de bemanning met groot gevaar voor eigen leven werd gered. Klaas Gomes vond dat ze wel een beloning hadden verdiend. Via de gouverneur verzocht hij Zijne Majesteit Willem III in januari 1822 een beloning voor hun moedig optreden. Zelf had hij gedacht aan een gouden medaille, hangend aan een ringetje en voorzien van het borstbeeld van Zijne Majesteit met een toepasselijke inscriptie en een geldbedrag van f 25. Een maand later had Klaas zich toch bedacht, het moest maar een gouden horlogeketting worden en een geldbedrag van f 50. Hoewel de reddingactie door de Gouverneur niet werd ontkent, was er op het verhaal van Klaas Gomes best wat af te dingen. Maar de horlogeketting en zilveren tabaksdozen waren er toch gekomen.